10-10-2011

De Barbaarse Methode


Happend naar adem onder een overhangende rots, zette Neria haar gedachten voor de eerste keer die dag op een rijtje, en in haar achterhoofd begon een lampje te branden.
“Ik moet toegeven, een grote luchtbel in een kleine rotsspleet laten verschijnen om de boel op te blazen, slimme truc.” De woorden werden begeleid door het schurende geluid van metaal over steen, en kwamen steeds dichterbij. “Maar de lawine gebruiken om je aftocht te dekken was een beetje voorspelbaar.” Het schurende geluid verstomde abrupt. Neria dook uit haar schuilplaats en riep terwijl ze rechtsprong een luchtschild op om haar gezicht te beschermen tegen de rondvliegende steentjes. Terwijl de stofwolk optrok probeerde ze te berekenen welke route naar de bosrand haar de meeste dekking gaf, maar haar gedachten werden onderbroken door een donderende lach.
“Dat is nou precies jouw probleem, elfje. Je denkt teveel na.”
Neria liep rood aan, opmerkingen over haar lengte waren niet iets waar ze goed mee overweg kon. Neria haatte verkleinwoorden. Met een ruw gebaar blies ze de stofwolk weg en kreeg ze vol zicht op haar tegenstander. Alles aan de man was buiten proportie, van zijn enorme grootte en massieve spieren tot de gigantische strijdhamer waarmee hij haar dekking verpulverd had. Hij weerspiegelde alles wat zijn ras beroemd en berucht had gemaakt.
“Daar zal een barbaar als jij wel geen last van hebben,” reageerde Neria ijzig.
“Ach, is het niet vreselijk wanneer iemand je op je uiterlijk beoordeelt?” De ironie droop van zijn woorden als olie op het smeulende vuur van haar woede. Neria trilde, haar zelfbeheersing werd zwaar op de proef gesteld. De barbaar hief zijn massieve wapen schijnbaar zonder moeite tot schouderhoogte en wees grinnikend naar zijn doelwit.
“Tijd om het spel wat interessanter te maken,” zei hij en opende zijn hand. De strijdhamer raakte de grond met een klinkende klap. Neria knipperde met haar ogen en zag de hamer op de grond liggen, maar de barbaar was verdwenen.
“Hehe, ze knipperen altijd.”
Nerias hand schoot naar haar dolk, maar een vuist als een bankschroef sloot zich om haar pols. Een andere hand greep haar lange haar en trok haar hoofd zover naar achter dat ze de enorme man recht kon aankijken. Zodra hun blikken elkaar kruisten viel Neria uit alle macht zijn geest aan. Tot haar eigen verbazing slaagde ze erin door zijn massieve natuurlijke verdediging te breken en een herinnering uit de Eerste Ring van Bewustzijn binnen te dringen.

“Mijn Rijk heeft een probleem, heer barbaar,” sprak een kleine, kalende man, gezeten op een weelderig van bladgoud voorziene troon.
“Talrijke geruchten over een uitverkorene doen de ronde door het land. Een reus met ongekende kracht, onkwetsbaar door gewone wapens en onaantastbaar door magie. Getooid in de manen van de mythische rode bergleeuw en op zijn pad vergezeld door vuur.” Op een teken van de man verscheen een dienaar met een tekstrol, die hij aan de barbaar overhandigde.
“Op die kaart zijn alle plaatsen gemarkeerd waar uw doelwit is verschenen, en de tekste bevat alle informatie die we over hem hebben.”
De man stond op, strekte een gebiedende arm naar de barbaar onder aan de trappen naar de troon, en zei: “Uw opdracht is simpel, breng hem hier, dood of levend, en uw beloning zal royaal zijn. Eerst wil ik echter één ding weten, uw naam.”
De stem van de barbaar klonk monotoon, alsof hij de woorden al te vaak had gesproken.
“Mijn geboortenaam is lang vergeten. Ieder noemt mij naar wat ik in hun ogen ben. Voor u, ben ik Jager.”

Neria  hield het niet meer en trok zich terug uit zijn geest. Heel even was de barbaar versuft en ze greep haar kans. Ze rukte zich los ten koste van een haarlok, bevrijdde in dezelfde beweging haar dolk van de schede aan haar riem en haalde uit naar de onbeschermde bovenarm van haar belager. Het lemmet proefde bloed, maar voor haar ogen begon de snee zich al te sluiten.
“Ik haat barbaren,” siste ze, haar ingehouden woede bereikte een grens. Nog even en ze zou de controle verliezen, ze moest nu ontsnappen.
“Ik haat bezweerders,” gromde Jager, “vooral als het uitverkorenen zijn.” Vluchtig inspecteerde hij zijn pas verwonde arm. Schijnbaar tevreden met het verloop van de genezing begon hij in de richting van de verpulverde rots te wandelen.
“Als je het niet erg vindt, ga ik even mijn hamer ophalen.”
Neria was stomverbaasd, maar ze dwong zichzelf er niet over na te denken en sprintte met een stormwind in de rug naar het bos.
Dit slaat nergens op. Barbaren zijn geen premiejagers, ze zijn niet te huur omdat materiële zaken hen niet interesseren. En zijn doelwit is een reusachtige vuurtemmer, een man! Iedereen weet dat elfen luchtlopers zijn, dus waarom zit hij achter mij aan?
In gedachten verzonken bereikte ze de bosrand. De wind zwakte af om de bomen te sparen en verdween helemaal toen ze beschutting vond in het dichte struikgewas bij een smalle stroom.
En waarom liet hij me gaan? Hij weet dat mijn elfenmagie me beschermt in het bos, zodat hij me hier niet kan opsporen zonder-
Neria vloekte hardop, greep haar dolk en sneed in één beweging haar lange paardenstaart af. In de verte hoorde ze Jager naderen, hij leek geen enkele moeite te doen om zijn komst te verhullen. Neria gooide haar afgesneden lokken omhoog en droeg de wind op ze samen met haar geur te verspreiden. Zo snel en geluidloos als ze kon, kroop ze door de struiken naar een veilige afstand. Ze schikte de luchtstromen zo dat ze benedenwinds zat ten opzichte van de barbaar en riskeerde een blik op haar achtervolger.
Jager draaide zichtbaar verward om zijn as, zijn neus in de lucht. Opeens stak hij twee vingers in zijn mond, haalde zo diep adem dat zijn enorme borstkas opzwol als een ballon en floot.
Een loodzware stilte viel over het bos. Neria overwoog net een poging tot ontsnappen toen ze vleugelgeruis hoorde. Een grote schaduw gleed over het struikgewas. En opeens regende het vlammen. Neria had geen flauw idee wat er zonet gebeurd was, maar opeens stonden de struiken in lichterlaaie. Als een razende probeerde ze de brand te isoleren in magische vacuumbellen, maar het was hopeloos. De vlammen waren overal en de hitte was zo intens dat er overduidelijk magie in het spel was. Ze zat in de val.
“Zit het elfje vast?” lachte Jager donderend.
Neria concentreerde zich op zijn stem om niet door de rook overwelmd te worden. Ze smeekte de goden om een laatste kans, als ze hem gewoon kon zien zou ze  ervoor zorgen dat hij haar nooit meer belachelijk kon maken. Haar woede hield haar geest helder, voorlopig.
“Ze maken die uitverkorenen niet meer zoals vroeger, neem dat maar van me aan,” ging de barbaar verder, “Doe je goden de groeten van me, schatje.”
Neria ontplofte, niemand noemde haar zo. Voor de eerste keer in haar leven liet ze haar woede de vrije loop. Ze liet alle controle over haar magie varen en gaf zich over aan haar instincten. Donderwolken verzamelden zich op haar bevel aan de hemel en een zware regenbui ging de vlammen te lijf. Windstoten verjoegen de rook en gaven Neria zicht op haar doelwit, nu waren de rollen omgedraaid. Jager zat op een majesteuze feniks, en vaag besefte Neria dat die het vuur veroorzaakt moest hebben. Op een bevel van zijn meester opende het dier zijn bek en schoot een vuurzuil naar de elfin. Neria aarzelde geen seconde. Met gespreide handen ving ze de aanval op en bundelde de hele straal in een kleine bol.
“Terug naar afzender!” gilde ze terwijl ze de vlammen terugwierp. De explosie had meer kracht dan ze verwacht had en ondanks haar luchtbeheersing werd ze door de schokgolf gegrepen en in de rivier geslingerd.
Proestend hief Neria haar hoofd uit het ondiepe water, haar woede gekoeld. Uitgeput sleepte ze zichzelf naar de smeulende krater. Vlak voor ze de rand bereikte hoorde ze een zwakke stem.
“Dat deed pijn,” kreunde Jager.
Neria keek in de krater en zag dat de barbaar rechtop zat, naast een hoopje as waar momenten eerder de feniks gestaan had. Jager keek op.
“Het begon tijd te worden dat je eens liet zien wat je in huis hebt, ik begon al te denken dat ik een gewone luchtloper voor niets het leven zuur zat te maken.” Hij stond op en klopte het stof van zijn kleren. Nu pas zag Neria dat hij een vest van rood leeuwenleer droeg. De lamp in haar achterhoofd werd opeens een kleine zon.
“Jij bent… Maar wat… waarom…” stamelde ze.
“Ohja, je hebt die herinnering gezien, moet verwarrend geweest zijn.” Hij lachte verontschuldigend. “Zie je, ik moest ervoor zorgen dat ze niemand anders achter een uitverkorene aan zouden sturen, zou nogal vervelend zijn.”
Neria strompelde de krater in en liet zich vlak voor de barbaar op de grond vallen.
“Wie ben jij?”
“Ik heb al lang geen eigen naam meer, maar voor jou ben ik Mentor.”

Geen opmerkingen:

Een reactie posten