21-03-2012

Rouw

Rouw
Vrijdag 16 maart 2012, 11 uur ’s morgens, héél België staat stil. Een teken van nationale meelevendheid op een dag van nationale rouw. De eerste sinds 2004, toen voor de slachtoffers van de gasramp in Gellingen. Het hele land lijkt mee te leven met de getroffen kinderen, ouders, familieleden, leeftijdsgenootjes en andere bekenden. Op bepaalde plaatsen worden ontelbare bloemstukken, kaarsen of andere gedenktekens neergelegd. Het is iets bijzonders, een heel land dat dezelfde emoties deelt. Wanneer de geschillen en problemen van alledag even vergeten zijn, en iedereen even hetzelfde denkt en voelt. Iedereen, jong en oud, studenten en arbeiders, politici en activisten, zelfs de media. Jawel, zelfs de media deelt in de bedroefenis en de solidariteit. Zendschema’s worden aangepast om het drama alle aandacht te geven die het toekomt. Hele nieuwsuitzendingen gaan enkel over de gebeurtenissen om en bij de ramp. Men zou haast gaan geloven dat de hele wereld stilstaat, dat er een paar dagen niets anders gebeurt dat de moeite van het rapporteren waard is.

En dat is vreemd. Dat een dergelijk drama meer aandacht krijgt dan een gemiddeld nieuwsitem is vanzelfsprekend, maar dat er opeens niets anders meer vertelt moet worden? De media worden nogal eens de waakhond van de maatschappij genoemd, maar een waakhond die dagen aan een stuk naar een eekhoorn in één hoek van zijn domein staat te grommen, is een héél slechte waakhond. In plaats van hun rol van onafhankelijke reporter, gedragen nieuwszenders, -ankers en journalisten zich opeens als priesters (om hier even de treffende woorden van Dr. Van den Bulck te citeren). Ze geven niet langer een objectieve stand van zaken, maar verkondigen opeens een boodschap van emoties en inleving. Een boodschap die overal hetzelfde klinkt, en die de mensen zonder meer moeten aannemen. Juist omdat het over zoiets onvoorstelbaar dramatisch gaat, lijkt het alsof bijna niemand de inhoud van de verslaggeving in vraag durft te stellen.

In mijn ogen is het niet de taak van de media om het rouwproces van de getroffenen in kaart te brengen en aan de hele nieuwsconsumerende populatie ten toon te stellen. Nieuwsjournaals zijn geen psychologische realityshows. Het verdriet en leed van nabestaanden zou geen nieuws mogen zijn, of zou toch zeker niet meer aandacht mogen krijgen dan het drama zelf. Als mijn kind zou verongelukken, zou ik geen cameraploegen willen zien of ter woord willen staan. Niet op de plaats van het ongeval, niet bij de begrafenis en niet bij herdenkingsgelegenheden. Maar ik weet ook niet of ik in zo’n situatie de moed zou kunnen opbrengen om de aanwezige media om begrip te vragen, en hen desnoods te wijzen op  mijn recht op privacy. Want laten we eerlijk zijn, het detail waarmee de situatie van die mensen wordt weergegeven, nadert wel héél dicht de grens met een schending van de privacy, als die grens niet al lang overschreden is. En blijkbaar kan dat allemaal zomaar. Is er dan geen deontologische code voor journalisten? Ik dacht van wel. Wie bepaalt dan wanneer zij die regels overtreden? De Raad voor de Journalistiek, die zich bij een uitspraak over wat wel en niet mag natuurlijk het gras onder de voeten wegmaait.

In de praktijk zijn het de nieuwsconsumenten die bepalen waar de grens ligt. Zolang media-gebruikend Vlaanderen zich stil houdt en het geleverde nieuws braaf binnenspeelt, is er voor de nieuwsdiensten geen probleem. Zolang kijkers, lezers en luisteraars zich in elke hype laten meesleuren (sorry maar hier MOET gewoon even een Kony referentie bij) zonder zich vragen te stellen over de aard van de berichtgeving, zullen mediamakers hun manier van werken niet aanpassen.

Nieuws is objectief. Nieuws draait rond feiten, niet rond emoties. Niet alles is nieuws, en niet alle nieuws mag zomaar nationaal verkondigd worden. Ik ben niet voor censuur, maar wel voor enige terughoudendheid waar het persoonlijke en intieme informatie betreft.

04-02-2012

Levensweg

Geluk zit in kleine dingen. Een wijs man heeft het ooit gezegd. Of een wijze vrouw, weet ik veel. Het punt is: hij of zij had gelijk. Geluk zit in de kleine dingen. Misschien zit het ook een beetje in de grote dingen, maar daar kan je het beter niet gaan zoeken. De grote dingen zijn hooibergen waarin je een naald wil zoeken. Graansilo’s waarin je een diamant wil vinden. Begin er niet aan, hou het simpel. Haal je kop uit de wolken, vergeet de skyline’s en verre horizonten. Kijk om je heen, niet naar beneden. Staar niet zomaar voor je uit, maar zie wat er gebeurt, wat is. Zie de kleuren, zie het leven en zoom in op de details. Zie niet de moeder die haar kind met moeite en een van zorgen verwrongen gezicht meesleurt, maar zie de vreugde van het kind dat zich verwondert over de wereld. Keur niet de gigantische flatscreen waar je toch geen geld of plaats voor hebt, maar merk de kleine tv op waar je een gratis dvd-speler bij krijgt, en die perfect in de hoek van je living past. Vervloek niet de politici en grote bazen die zich sjacherend en huichelend in bochten wringen om zich te kunnen verrijken aan de mensheid die van hen afhankelijk is, maar prijs de gewone man die ondanks zijn last de schouders ophaalt en lachend aan de nieuwe dag begint.

Ondanks de vooruitgang van onze beschaving(en) krijgen steeds meer mensen, vooral in de westerse wereld, te maken met depressies, burnouts en dergelijken. Daarvoor kunnen verschillende verklaringen worden gegeven. Afhankelijk van de politieke en ideologische denkbeelden die men aanhangt zal men de schuld steken op het kapitalisme, bureaucratisering, individualisering, het verdwijnen van het geloof in (een) God, en ga zo maar door.
Een ander wijs man (Zed de tovenaar) heeft ooit gezegd: kijk naar de oplossing en niet naar het probleem. Met andere woorden: het maakt niet uit wat de oorzaak is, zolang we er een oplossing voor vinden. Oplossingen voor dit probleem zijn in overvloed te vinden. Goeroe’s, profeten, managers en andere charlatans hebben een heus gat in de markt gevonden. Het is een echte trend om als succesvol ondernemer, politicus, sportman of… een al dan niet autobiografisch boek te schrijven over succes en/of geluk. Zelfs Herman van Rompuy heeft bij nieuwjaar alle wereldleiders ‘The World Book of Happiness’ gegeven. Blijkbaar zoeken veel mensen zulke boeken, cursussen of god-weet-wat op in de hoop geluk, succes of liefde te vinden.

Geluk, succes, of liefde. Drie begrippen die heel vaak in één adem vernoemd worden. Ik neem echter aan dat de moderne mens rationeel genoeg is om te beseffen dat succes en/of liefde niet gelijk staan aan geluk. Over succes, en de daar automatisch bij horende eenheid ‘geld’, weten we het volgende: “Money doesn’t buy happiness, but it sure as hell buys everything else”. Alweer wijze woorden. Ook liefde is op zich niet voldoende. Liefde vult immers geen magen en bouwt geen huizen. Naast liefde en een minimum aan financiële middelen is er nog iets onontbeerlijks voor geluk: een diep en breed bewustzijn. Een bewustzijn over het eigen leven. Zowel een diep zelfbewustzijn over wat men wil, en een breed uitwendig bewustzijn van wat men kan. Dit lijkt misschien een vreemde stelling, en om mijn punt duidelijk te maken zal ik dan ook gebruik maken van een metafoor.

Stel je je leven voor als een weg, een lange weg (hopelijk) met veel bochten, kruispunten en hindernissen. Die weg die je leven voorstelt, wil je natuurlijk niet helemaal te voet afleggen. Dus stel je ook een auto voor, waarin jij de weg van je leven aflegt. In deze metafoor is liefde de carrosserie. Datgene dat alles bij elkaar houdt, een plaats en zin geeft. Iedereen heeft op zijn minst een beetje liefde in zijn leven, maar hoe meer liefde en hoe sterker die is, zo stevig is de carrosserie van je (denkbeeldige) wagen. En hoe beter de carrosserie, hoe beter je tegen problemen en hindernissen bestand bent. Neem je de verkeerde weg op een kruistpunt (een foute keuze in je leven) en eindig je tegen een muur, dan zorgt een stevige wagen ervoor dat je toch verder kan.
Geld wordt in onze metafoor voorgesteld door alle technische snufjes aan de wagen. Veel geld betekent een krachtige motor, stevige schokdempers, airbags, gps, automatisch schakelen en noem maar op. Geld maakt het met andere woorden gemakkelijker om de weg af te leggen. Hindernissen worden makkelijker overwonnen of ontweken met respectievelijk goede schokdempers of een slimme gps.
Tenslotte is er nog het bewustzijn, wie even nadenkt weet wat er nog ontbreekt aan de wagen: een bestuurder. Een bestuurder die weet wat hij wil, welke richting hij wilt nemen bij kruispunten. Een bestuurder die weet wat hij kan, en geen hindernissen gaat nemen die zijn wagen niet aankan.

De metafoor maakt duidelijk dat een minimum aan geld en liefde voldoende zijn om gelukkig te zijn. Zolang de bestuurder zich bewust is van dat minimum, en geen beslissingen gaat nemen die zijn wagen niet aankan. We zien ook dat een veelvoud van één van de twee het al een pak makkelijker maakt. Veel geld om problemen te ontwijken of overkomen, of veel liefde om snel te recupereren. Het belangrijkste is en blijft de bestuurder zelf. Iemand die weet wat hij wil en kan, zal middels enige zelfreflectie nu en dan, niet zo snel een verkeerde of slechte beslissing nemen.

Er is nog één facet van dat verregaande bewustzijn, dat even aparte aandacht verdiend: berusting. Sommige hindernissen zijn nu eenmaal onoverkomelijk, sommige wegen kunnen nu eenmaal niet gekozen worden. Berusting is het besef dat jij slechts gedeeltelijk zelf de weg van je leven uitmaakt. Talloze andere mensen hebben ook invloed op jouw leven, sommige al wat meer dan anderen, maar allen bepalen ze mee de vorm van je levensweg. Berusting houdt in dat je je daarvan bewust bent, en er mee leert te leven. Het is een fabeltje dat je kan worden wat je maar wil, als je maar je best doet.

Dat wil echter niet zeggen dat we niet allemaal gelukkig kunnen zijn, als we tenminste een beetje moeite doen.

16-11-2011

Primus

Karl Marx beweerde dat godsdienst opium voor het volk was (met zo’n titel, afbeeldingen en openingszin durf ik te hopen op de aandacht van elke puber, Kaffee-ganger, bierliefhebber, commie, sos, kapitalist of random persoon die trots ontdekt dat hij/zij een uitspraak van Marx herkent), en daar had hij gelijk in, in zijn tijd. Tijden veranderen (deze is trouwens van Clouseau, kwestie van een breed publiek aan te spreken) en dus moet deze populaire quote toch even aangepast worden. In deze Age of Information zou ik namelijk durven beweren dat de media opium voor het volk is. Media in zijn verzamelterm van alle soorten dragers van informatie en alle soorten entertainment die daardoor worden overgebracht. Want laten we eerlijk zijn, de godsdienst heeft zijn beste tijd gehad (tenminste in de Westerse wereld, verder ga ik niet want daar weet ik niet genoeg van om een grote mond over op te zetten). Zeker met alle schandalen en speculaties van de laatste tijd. De Kerk heeft haar beste tijd gehad, wat elke dag pijnlijk duidelijk wordt door het dalende aantal kerkgangers of actieve gelovigen, het gebrek aan mensen die de roeping horen en volgen, en het aantal kerken dat bijgevolg leeg blijft.

Meer en meer beheersen de media ons dagelijks leven, we staan ermee op en gaan ermee slapen. Uitzendingen van bepaalde programma’s bepalen het verloop van en zijn afgestemd op het verloop van onze avond. Het beste voorbeeld hiervan is de immer aanwezige reclame, maar ook als we het bos in trekken hebben we in vele gevallen nog steeds een mp3-speler of op zen minst onze gsm bij. Als we godsdienst vervangen door media (gewoon even hypothetisch, de lijn van de opium-quote doortrekken) dan is elektriciteit de nieuwe God. Ik wil hier absoluut geen idioten of zwakzinnigen tot sekte-achtige ideeën aanzetten, maar ik vraag me echt af hoe lang het nog duurt voor iemand met een neus voor zaken een soort van Mediatology opricht. Ik ben er zeker van dat op de dag des oordeels (of The Rapture, de véél coolere engelse term) God eerst het hele net lamlegt, dan even gezellig afwacht terwijl alle ontwikkelde landen zichzelf verscheuren om daarna het werk en vooral de derdewereldlanden af te maken met een paar welgemikte meteorieten (voeg nog een totaal overbodige, halfnaakte babe toe en je hebt een Michael Bay film…).
Waarom zijn mensen eigenlijk zo afhankelijk van religie (om terug te keren naar ons oorspronkelijk onderwerp)? Eén van de meest aanvaarde antwoorden is dat ze het nodig hebben om hun wereld te verklaren. Anders gezegd, het bevrijdde hen van de opdracht zelf over hun wereld na te denken. Toegegeven, vroeger hadden de meesten gewoon niet de nodige scholing om ook maar enigszins abstract te denken, maar de menselijke aversie voor zware mentale arbeid (lees: luiheid) valt daardoor des te harder op bij diegenen die wél een rijke opvoeding kregen en toch klakkeloos de leer van de Kerk overnamen. Zogenaamde geleerden en intellectuelen van alle tijden zijn op dit gebied verrassend kinderachtig, zelfs de politici van onze moderne beschaving kunnen het zelden over iets eens raken, wat er overduidelijk op wijst dat zij zich laten leiden door hun (met de paplepel binnengekregen) achtergrond en ideologie. Immers, als zij zich (zoals eigenlijk zou moeten) enkel basseren op objectieve feiten en cijfers, dan zou eender welk probleem opgelost kunnen met het simpele criteria wat het beste is om alle burgers zo gelijk mogelijk te stellen, hét basisprincipe van de democratie.

Dat zij er (na bijna twee jaar, seriously…) nog steeds niet in slagen om buiten zichzelf te denken bewijst naar mijn mening hun luiheid als het op abstract denken aankomt. En waar vroeger religie hier een oplossing voor bood, wordt deze rol nu met elke generatie meer en meer overgenomen door de media. Of je nu gamet, een serie of film kijkt, een boek leest of eender wat, de kans dat je er diep bij nadenkt is astronomisch klein. Alleen bij het luisteren van (reeds bekende) muziek kan dit nog gebeuren, omdat liedjes die je redelijk goed kent makkelijk achtergrondmuziek worden. In tegenstelling tot het volgen van een bepaalde godsdienst, waar een hele ideologie en vaste waarden en normen bijhoren, is er echter zodanig veel variatie in de beschikbare media-inhouden dat jer er effectief je horizon mee kan verruimen, en terwijl je dus naar zogenaamd hersenloos (of hersenactiviteit-arm) entertainment zit te kijken, ontvang je in elk programma van enig niveau wal wat informatie die je denkkader verruimen kan.
Opium is een drug (niet echt, uit opium worden drugs gedistilleerd, opiaten, maar je snapt het punt wel), een zware en potentieel gevaarlijke drug die het denken op zen minst belemmert en mogelijk schaadt. Hierin gaat de vergelijking met godsdienst  (naar mijn eigen bescheiden mening) dus verder op dan Herr Marx misschien bedoeld had. De metafoor van opium gebruiken voor de media gaat dus iets te ver, en we moeten dus een andere vinden. Welke drug is eigenlijk niet echt gevaarlijk, zéér moeilijke vraag, or is it?
Voor u gaat denken dat we hier gaan overschakelen naar een pleidooi voor het vervlaamsen van coffeeshops of iets dergelijks, het antwoord dat we zoeken is reeds volkomen legaal. Sterker nog, iedereen mag het consumeren vanaf zijn of haar zestiende verjaardag, wat meestal zelfs vrolijk vermeld staat op wenskaarten. Alcohol! Oké er zijn alcoholverslaafden, en dat is niets om mee te lachen, maar toch is dit de meest gepaste metafoor. Er is een potentieel van extremisme (verslaving), het bevrijdt de consument van geestelijk labeur (de roes), het is volstrekt legaal (voorlopig) en er zijn talloze soorten van.
Wie goed heeft opgelet merkt nu dat de cirkel rond is (halleluja). We zijn er (ahum, meesterlijk) in geslaagd van Karl Marx en opium  over te gaan naar alcohol (de titel van dit stuk is dus niet helemáál random) via godsdienst en de media. 

Ik heb overigens het grootste begrip voor eenieder die zich mogelijk gestoord heeft aan de (misschien iets té) talrijke haakjes in dit opniestuk (merk trouwens de ironie in op in deze laatste zin (en in de bijhorende haakjes (en in deze… infinite loop alert!))).


10-10-2011

De Barbaarse Methode


Happend naar adem onder een overhangende rots, zette Neria haar gedachten voor de eerste keer die dag op een rijtje, en in haar achterhoofd begon een lampje te branden.
“Ik moet toegeven, een grote luchtbel in een kleine rotsspleet laten verschijnen om de boel op te blazen, slimme truc.” De woorden werden begeleid door het schurende geluid van metaal over steen, en kwamen steeds dichterbij. “Maar de lawine gebruiken om je aftocht te dekken was een beetje voorspelbaar.” Het schurende geluid verstomde abrupt. Neria dook uit haar schuilplaats en riep terwijl ze rechtsprong een luchtschild op om haar gezicht te beschermen tegen de rondvliegende steentjes. Terwijl de stofwolk optrok probeerde ze te berekenen welke route naar de bosrand haar de meeste dekking gaf, maar haar gedachten werden onderbroken door een donderende lach.
“Dat is nou precies jouw probleem, elfje. Je denkt teveel na.”
Neria liep rood aan, opmerkingen over haar lengte waren niet iets waar ze goed mee overweg kon. Neria haatte verkleinwoorden. Met een ruw gebaar blies ze de stofwolk weg en kreeg ze vol zicht op haar tegenstander. Alles aan de man was buiten proportie, van zijn enorme grootte en massieve spieren tot de gigantische strijdhamer waarmee hij haar dekking verpulverd had. Hij weerspiegelde alles wat zijn ras beroemd en berucht had gemaakt.
“Daar zal een barbaar als jij wel geen last van hebben,” reageerde Neria ijzig.
“Ach, is het niet vreselijk wanneer iemand je op je uiterlijk beoordeelt?” De ironie droop van zijn woorden als olie op het smeulende vuur van haar woede. Neria trilde, haar zelfbeheersing werd zwaar op de proef gesteld. De barbaar hief zijn massieve wapen schijnbaar zonder moeite tot schouderhoogte en wees grinnikend naar zijn doelwit.
“Tijd om het spel wat interessanter te maken,” zei hij en opende zijn hand. De strijdhamer raakte de grond met een klinkende klap. Neria knipperde met haar ogen en zag de hamer op de grond liggen, maar de barbaar was verdwenen.
“Hehe, ze knipperen altijd.”
Nerias hand schoot naar haar dolk, maar een vuist als een bankschroef sloot zich om haar pols. Een andere hand greep haar lange haar en trok haar hoofd zover naar achter dat ze de enorme man recht kon aankijken. Zodra hun blikken elkaar kruisten viel Neria uit alle macht zijn geest aan. Tot haar eigen verbazing slaagde ze erin door zijn massieve natuurlijke verdediging te breken en een herinnering uit de Eerste Ring van Bewustzijn binnen te dringen.

“Mijn Rijk heeft een probleem, heer barbaar,” sprak een kleine, kalende man, gezeten op een weelderig van bladgoud voorziene troon.
“Talrijke geruchten over een uitverkorene doen de ronde door het land. Een reus met ongekende kracht, onkwetsbaar door gewone wapens en onaantastbaar door magie. Getooid in de manen van de mythische rode bergleeuw en op zijn pad vergezeld door vuur.” Op een teken van de man verscheen een dienaar met een tekstrol, die hij aan de barbaar overhandigde.
“Op die kaart zijn alle plaatsen gemarkeerd waar uw doelwit is verschenen, en de tekste bevat alle informatie die we over hem hebben.”
De man stond op, strekte een gebiedende arm naar de barbaar onder aan de trappen naar de troon, en zei: “Uw opdracht is simpel, breng hem hier, dood of levend, en uw beloning zal royaal zijn. Eerst wil ik echter één ding weten, uw naam.”
De stem van de barbaar klonk monotoon, alsof hij de woorden al te vaak had gesproken.
“Mijn geboortenaam is lang vergeten. Ieder noemt mij naar wat ik in hun ogen ben. Voor u, ben ik Jager.”

Neria  hield het niet meer en trok zich terug uit zijn geest. Heel even was de barbaar versuft en ze greep haar kans. Ze rukte zich los ten koste van een haarlok, bevrijdde in dezelfde beweging haar dolk van de schede aan haar riem en haalde uit naar de onbeschermde bovenarm van haar belager. Het lemmet proefde bloed, maar voor haar ogen begon de snee zich al te sluiten.
“Ik haat barbaren,” siste ze, haar ingehouden woede bereikte een grens. Nog even en ze zou de controle verliezen, ze moest nu ontsnappen.
“Ik haat bezweerders,” gromde Jager, “vooral als het uitverkorenen zijn.” Vluchtig inspecteerde hij zijn pas verwonde arm. Schijnbaar tevreden met het verloop van de genezing begon hij in de richting van de verpulverde rots te wandelen.
“Als je het niet erg vindt, ga ik even mijn hamer ophalen.”
Neria was stomverbaasd, maar ze dwong zichzelf er niet over na te denken en sprintte met een stormwind in de rug naar het bos.
Dit slaat nergens op. Barbaren zijn geen premiejagers, ze zijn niet te huur omdat materiële zaken hen niet interesseren. En zijn doelwit is een reusachtige vuurtemmer, een man! Iedereen weet dat elfen luchtlopers zijn, dus waarom zit hij achter mij aan?
In gedachten verzonken bereikte ze de bosrand. De wind zwakte af om de bomen te sparen en verdween helemaal toen ze beschutting vond in het dichte struikgewas bij een smalle stroom.
En waarom liet hij me gaan? Hij weet dat mijn elfenmagie me beschermt in het bos, zodat hij me hier niet kan opsporen zonder-
Neria vloekte hardop, greep haar dolk en sneed in één beweging haar lange paardenstaart af. In de verte hoorde ze Jager naderen, hij leek geen enkele moeite te doen om zijn komst te verhullen. Neria gooide haar afgesneden lokken omhoog en droeg de wind op ze samen met haar geur te verspreiden. Zo snel en geluidloos als ze kon, kroop ze door de struiken naar een veilige afstand. Ze schikte de luchtstromen zo dat ze benedenwinds zat ten opzichte van de barbaar en riskeerde een blik op haar achtervolger.
Jager draaide zichtbaar verward om zijn as, zijn neus in de lucht. Opeens stak hij twee vingers in zijn mond, haalde zo diep adem dat zijn enorme borstkas opzwol als een ballon en floot.
Een loodzware stilte viel over het bos. Neria overwoog net een poging tot ontsnappen toen ze vleugelgeruis hoorde. Een grote schaduw gleed over het struikgewas. En opeens regende het vlammen. Neria had geen flauw idee wat er zonet gebeurd was, maar opeens stonden de struiken in lichterlaaie. Als een razende probeerde ze de brand te isoleren in magische vacuumbellen, maar het was hopeloos. De vlammen waren overal en de hitte was zo intens dat er overduidelijk magie in het spel was. Ze zat in de val.
“Zit het elfje vast?” lachte Jager donderend.
Neria concentreerde zich op zijn stem om niet door de rook overwelmd te worden. Ze smeekte de goden om een laatste kans, als ze hem gewoon kon zien zou ze  ervoor zorgen dat hij haar nooit meer belachelijk kon maken. Haar woede hield haar geest helder, voorlopig.
“Ze maken die uitverkorenen niet meer zoals vroeger, neem dat maar van me aan,” ging de barbaar verder, “Doe je goden de groeten van me, schatje.”
Neria ontplofte, niemand noemde haar zo. Voor de eerste keer in haar leven liet ze haar woede de vrije loop. Ze liet alle controle over haar magie varen en gaf zich over aan haar instincten. Donderwolken verzamelden zich op haar bevel aan de hemel en een zware regenbui ging de vlammen te lijf. Windstoten verjoegen de rook en gaven Neria zicht op haar doelwit, nu waren de rollen omgedraaid. Jager zat op een majesteuze feniks, en vaag besefte Neria dat die het vuur veroorzaakt moest hebben. Op een bevel van zijn meester opende het dier zijn bek en schoot een vuurzuil naar de elfin. Neria aarzelde geen seconde. Met gespreide handen ving ze de aanval op en bundelde de hele straal in een kleine bol.
“Terug naar afzender!” gilde ze terwijl ze de vlammen terugwierp. De explosie had meer kracht dan ze verwacht had en ondanks haar luchtbeheersing werd ze door de schokgolf gegrepen en in de rivier geslingerd.
Proestend hief Neria haar hoofd uit het ondiepe water, haar woede gekoeld. Uitgeput sleepte ze zichzelf naar de smeulende krater. Vlak voor ze de rand bereikte hoorde ze een zwakke stem.
“Dat deed pijn,” kreunde Jager.
Neria keek in de krater en zag dat de barbaar rechtop zat, naast een hoopje as waar momenten eerder de feniks gestaan had. Jager keek op.
“Het begon tijd te worden dat je eens liet zien wat je in huis hebt, ik begon al te denken dat ik een gewone luchtloper voor niets het leven zuur zat te maken.” Hij stond op en klopte het stof van zijn kleren. Nu pas zag Neria dat hij een vest van rood leeuwenleer droeg. De lamp in haar achterhoofd werd opeens een kleine zon.
“Jij bent… Maar wat… waarom…” stamelde ze.
“Ohja, je hebt die herinnering gezien, moet verwarrend geweest zijn.” Hij lachte verontschuldigend. “Zie je, ik moest ervoor zorgen dat ze niemand anders achter een uitverkorene aan zouden sturen, zou nogal vervelend zijn.”
Neria strompelde de krater in en liet zich vlak voor de barbaar op de grond vallen.
“Wie ben jij?”
“Ik heb al lang geen eigen naam meer, maar voor jou ben ik Mentor.”

Waarom een blog?

Niet om er geld aan te verdienen, of om massa's viewers en volgers te krijgen. Nee, deze blog dient als motivatie om de teksten die ik begin te schrijven ook af te maken. Bijna wekelijks komt er één of andere gedachte in me op waar ik een tijdje over nadenk, en die ik dan op papier zet. Het probleem is dat de nota's die ik dan maak nogal onoverzichtelijk zijn, en eerst in een logische, doorlopende tekst moeten worden omgezet voor iemand ze kan lezen. Ik ben echter nogal lui ingesteld, en zolang ik geen reden heb om iets te doen, doe ik het meestal gewoon niet. Vandaar het idee een blog te beginnen. Eens je een blog hebt, ben je het aan jezelf verplicht die ook te onderhouden en er om de paar dagen iets op te posten, en dat is precies de motivatie die ik nodig heb.

Vorig jaar ben ik pas echt begonnen met het schrijven van volledige artikels, en daarvan zijn er een aantal gepubliceerd op Polstok, een soort van nieuwssite van de Leuvense Faculteit Sociale Wetenschappen. Dit leidt me naar de tweede reden voor het starten van een blog: niet alles wat ik schrijf is geschikt om op Polstok gepubliceerd te worden. 
Fantasy is altijd een passie van me geweest. Ik lees bijna niets anders, en heel af en toe schrijf ik het ook. Dit jaar heb ik deelgenomen aan een wedstrijd voor Nederlandstalige fantasy. Die heb ik niet gewonnen, maar ik wil toch dat mensen mijn verhaal kunnen lezen. Daarom post ik hierna mijn allereerste kortverhaal.

Tot slot wil ik nog een belofte doen. Ik zal minstens één keer per week iets posten, zodat het de moeite loont om deze blog af en toe nog eens te bezoeken.

Enjoy

07-10-2011

Wakker

“Laat me godverdomme slapen!” Een zin die iedere student ongetwijfeld meermaals per semester (of per les) denkt, in een sms verstuurt of gewoon lekker ouderwets brult naar de boosdoener die hem uit zijn dromen haalt. Want, met alle respect, wie verkiest er nu geen epische veldslag of stomende scène boven een paar uur ideeën aanhoren van mensen die al lang dood zijn en er zelf niet eens zeker van waren of ze ze wel allemaal op een rijtje hadden. Filosofen noemen ze dat dan, geleerden die antwoorden zoeken op de grote levensvragen: wat is de zin van het leven? Is er een God? Enzovoorts… Vragen die mensen zich stellen en waar men naar alle waarschijnlijkheid nooit een definitief antwoord op zal vinden. En waarom zou men ook een definitief antwoord willen? Laat iedereen maar voor zichzelf uitmaken of en hoe hij of zij die vragen wil beantwoorden.
Misschien moeten die zogenaamde filosofen zich richten op vragen die wat meer actueel zijn en waar wel één antwoord op te vinden is. Ethische kwesties zijn hier een schoolvoorbeeld van; vragen over de doodstraf, abortie en stamcelonderzoek. De wereld heeft antwoorden op zulke vragen nodig, als men tenminste gelooft dat er eenduidige antwoorden zijn.
Er zijn uiteraard ook vragen waar zelfs moraalfilosofen niet op komen en waar ze dus ook geen antwoorden op kunnen formuleren. Vragen die misschien slecht enkele mensen zich stellen, maar dat betekent nog niet dat ze geen antwoord verdienen. Vandaar de eerste zin van deze tekst, die na een kleine uitwijding toch de bedoeling had een eerste, misschien ietwat vreemde, vraag in te leiden:
Is het beter om te dwalen in een herinnering aan perfectie dan te leven in een afspiegeling ervan?
Fantasy > reality?
Anders gesteld is een droomwereld niet te verkiezen boven de harde “echte” wereld? Het is geen voor de hand liggende vraag, en ze heeft dus ook geen voor de hand liggend antwoord. Maar als men erover nadenkt zijn er wel degelijk mensen aan beide kanten van de keuze. Met een klein beetje verbeelding kan men alcohol- en drugsverslaafden immers beschouwen als mensen die hun droomwereld, hun roes, verkiezen boven de realiteit. Ook zij die meer tijd steken in hun profiel op sociale netwerksites of in games als World of Warcraft en Second Life zijn misschien mensen die hun keuze, al dan niet bewust, hebben gemaakt. Deze voorbeelden zijn de meest voor de hand liggende maar hebben het nadeel dat er zware problemen mee gepaard gaan, vooral in de eerste groep. Ook over de tweede groep is er echter geregeld berichtgeving dat iemand (meestal in Aziatische landen) zich letterlijk “doodgamet”.
Gelukkig kunnen we ook andere , minder extreme voorbeelden vinden. Mensen die relatief veel films of boeken verslinden maken die keuze immers ook, alleen (meestal) niet tot de extentie van een verslaafde. Schrijvers, en eventueel regisseurs, zijn betere voorbeelden. Zij scheppen immers de wereld waarin hun lezers, respectievelijk kijkers, zich storten. Zij ontwerpen in hun geest een universum met eigen natuurwetten, eigen morele regels. Wie kan er zeggen dat hij nog nooit gedagdroomd heeft? Iedereen maakt af en toe wel eens de keuze om de realiteit te verruilen voor iets meer aangenaam. Nog een goed voorbeeld is de student, die zich minstens éénmaal per week onderdompelt in het gulden studentennat, of iets sterkers. Heel bewust wekken zij dan een roes op die alle klanken zuiverder, alle kleuren helderder en elke uitdaging aantrekkelijker maakt, tot het ochtendgloren en een al dan niet aangenaam (en al dan niet alleen) ontwaken.
What to live for?
Genoeg voorbeelden van de minder voor de hand liggende zijde van de keuze, maar nog geen antwoord. Moeten we de keuze van de groep verslaafden respecteren zolang ze niemand in gevaar brengen en geen hulp vragen? Verschilt hun keuze in essentie van een aanvraag tot euthanasie? Iemand die euthanasie vraagt rekent immers ook op iets beters aan de andere kant, in het slechtste geval enkel een uitvlucht voor ondraaglijke pijn. Om hun keuze juist te kunnen beoordelen moeten we ons eerst afvragen waarom niet iedereen voor de droom kiest, dat is schijnbaar toch de makkelijke uitweg.
Waarom zijn er mensen die de realiteit verdragen, anderen die de realiteit met genoegen accepteren en nog anderen die de realiteit proberen te veranderen?
Al die mensen moeten een reden hebben om te leven, iets dat hen de moed geeft om vooruit te blijven gaan.
Moed, iets hebben om voor te leven, dat maakt het verschil tussen beide keuzes. Of het nu liefde, geld, woede of God is, mensen hebben een drijfveer nodig. Zonder doel, hoe vaag ook, kan niemand leven. Mensen kunnen evenmin leven zonder doel als mieren overleven zonder koningin. Eender welke hindernis wordt onoverbrugbaar, waarom zou je immers proberen een hindernis te nemen als er aan de overkant geen beloning wacht? No pain, no gain. En als je geen gain verwacht ga je gewoon proberen de pain te ontwijken. Maar geef mensen een doel en ze zijn tot alles in staat. Van kruistochten en zelfmoordaanslagen tot naastenliefde en maanlandingen.
In de moderne wereld heeft elk individu meer dan ooit nood aan een doel, iets om zijn leven op te richten. Een goed doel wordt bereikt door goede mensen, via een goed leven. Als men wat meer dachten aan waar ze naartoe willen, in plaats van hoe ze daar willen geraken, dan komt men er misschien sneller. Als zalmen die stroomopwaarts, door onbekende rivieren en zonder na te denken (duh het zijn vissen…), hun broedplaats feilloos vinden.
Natuurlijk mag er ook gedroomd worden, te pas en te onpas, zolang het niet de bovenhand krijgt en het geen eindeloze omweg wordt die ons van ons doel afbrengt. Af en toe moet er gedroomd worden, hoe weten we anders wanneer we wakker zijn?